Ik zit aan tafel met Papua-koffie en speculaas. Twee heel gewone dingen, maar vandaag voelt het alsof mijn twee werelden naast elkaar liggen. West-Papua en Nederland. Allebei vertrouwd, allebei onderdeel van mij. Misschien illustreert juist dit eenvoudige beeld waar dit artikel over gaat: niet hoeven kiezen tussen werelden, maar leren dat ze naast elkaar mogen bestaan.

Pas onlangs ontdekte ik dat er een naam bestaat voor iets wat ik eigenlijk al mijn hele leven voel: Third Culture Kid.

Ik ben geboren in Nederland. Toen ik ongeveer een half jaar oud was, verhuisden we naar West-Papua. Daar bracht ik mijn eerste jaren door, totdat we rond mijn achtste terugkeerden naar Nederland.

Mijn eerste woordjes waren Indonesisch. Ik speelde daar, groeide daar op en begreep zonder erover na te denken hoe mensen met elkaar omgingen. Hoe samenleven eruitzag. Wie de mensen om mij heen waren en welke plek ik daarin had.

Papua is eigenlijk nooit uit mijn leven verdwenen.
Ik heb spullen bewaard die me eraan herinneren. Voorwerpen en beelden die voor mij veel betekenen. Toch liggen veel daarvan nog altijd veilig opgeborgen op een kamer.

Niet omdat ze niet belangrijk zijn. Juist omdat ze zo belangrijk zijn.

Er zit bij mij iets van terughoudendheid op om dat deel van mijn leven zichtbaar te maken. Misschien omdat ik bang ben dat mensen denken dat ik ermee wil pronken. Alsof ik mezelf bijzonder wil maken met het feit dat ik een deel van mijn jeugd ergens anders heb gewoond.
Dus zwijg ik er gemakkelijker over. In mijn gedachten mag Papua er helemaal zijn. Daar kan ik herinneren, missen en liefhebben zonder dat iemand er iets van vindt.

Maar de laatste tijd verandert daar iets in. Ik voel steeds duidelijker het gemis. Niet alleen van mensen, maar ook van de geuren, het landschap, het eten, de warmte, de muziek en alles wat die wereld voor mij meebracht.

De liefde ervoor is te groot om veilig opgeborgen te blijven.

Ik wil Papua omarmen. Ik wil het om me heen hebben, als een beschermjas. Een beschermjas van herinneringen, geuren, smaken, kleuren en vertrouwdheid.
In mijn huis. In het eten dat ik maak. In de muziek die ik luister. In de spullen die ik weer tevoorschijn haal.

Niet om terug te gaan naar vroeger, maar omdat het onderdeel is van wie ik ben.

Juist terwijl ik daar de laatste tijd bewuster ruimte aan probeer te geven, herkende iemand iets van mijn verhaal. Hij stuurde mij materiaal over Third Culture Kids en over kinderen die na een jeugd in een andere cultuur terugkeren naar het land van hun ouders.

Dat vond ik bijzonder. Ik was al zo lang bezig met iets waarvoor ik zelf nog geen naam had.

Met Third Culture Kids, vaak afgekort tot TCK’s, worden kinderen bedoeld die een belangrijk deel van hun ontwikkelingsjaren doorbrengen in een andere cultuur dan die van hun ouders. Hun identiteit wordt daardoor niet alleen gevormd door het paspoortland of door het land waarin zij wonen. Er ontstaat een mengeling van culturele werelden.

Wetenschappelijk onderzoek naar TCK’s laat zien dat hun aanpassing samen kan hangen met veel verschillende factoren: familie, relaties, vriendschappen, cultuur, taal, school, identiteit en de verschillende verhuizingen die zij meemaken. Tegelijkertijd benadrukken onderzoekers dat het wetenschappelijke onderzoek naar kinderen en jongeren binnen deze groep nog relatief beperkt is. Er bestaat dus niet zoiets als één vaste TCK-ervaring.

TCK-zijn is geen diagnose. En mijn verhaal is maar één verhaal. Maar soms kan een begrip wel woorden geven aan iets wat daarvoor moeilijk te begrijpen was.

In het materiaal dat ik aangereikt kreeg, kwam bijvoorbeeld de term hidden immigrant voorbij: iemand die er aan de buitenkant uitziet alsof hij helemaal bij de cultuur hoort, terwijl zijn denken en vanzelfsprekendheden voor een belangrijk deel in een andere cultuur zijn gevormd.

Dat voelde voor mij heel herkenbaar. Toen wij naar Nederland terugkeerden, kwam ik voor de buitenwereld immers thuis. Maar zo voelde het eigenlijk niet voor mij.

Als kind dacht ik natuurlijk niet na over cultuur of identiteit. Ik speelde gewoon.

In Papua speelden we met onze poppen. We droegen ze in een noken, een tas die je met een band over je hoofd draagt, of met een slendang om ons middel. We maakten een vuur, pakten een blikje en maakten daarin eten voor onze poppen.

Maar als ik er nu op terugkijk, zie ik hoeveel van mijn wereld daarin aanwezig was. Het leven speelde zich buiten af. Het dorp was mijn thuis. Ik kende de omgeving en overal waren mensen bij wie ik thuishoorde. Ik kon bewegen. Ik kon gaan. Ik was vrij.

In Nederland kon ik natuurlijk ook spelen. Alleen zag spelen er ineens heel anders uit. Ik ging op de fiets naar iemand toe. Het tuinhek ging dicht. Daarna de deur van het huis. Binnen zaten we met onze poppen en praatten we tegen elkaar.
Als ik naar huis wilde, kon ik niet zomaar gaan. Ik wist de weg niet. Het verkeer voelde niet veilig. Ik moest wachten tot het afgesproken tijdstip.
Niemand sloot mij letterlijk op. Maar zo voelde het soms wel. Ik voelde me gevangen.

Dat kleine voorbeeld zegt achteraf misschien veel meer dan ik toen kon begrijpen. Ik had niet alleen een andere plek achtergelaten. Ik had een hele manier van leven achtergelaten.

Dit is waar mijn persoonlijke ontdekking voor mij ook professioneel interessant wordt.

Bij verlies denken we vaak eerst aan iets concreets. Een mens die overlijdt. Een relatie die eindigt. Een huis dat wordt verlaten. Maar verlies kan veel minder zichtbaar zijn.

Kathleen Gilbert onderzocht verlies en rouw bij 43 Third Culture Kids. Zij beschrijft verlies van mensen, plaatsen, huisdieren en bezittingen, maar ook meer existentiële verliezen: verliezen die raken aan betekenis, veiligheid, vertrouwen, identiteit en thuis. Haar onderzoek laat bovendien zien dat TCK-rouw regelmatig niet of onvoldoende door de omgeving als rouw wordt erkend.

Ik verloor de taal om me heen. De geuren. Het landschap. De manier waarop wij als kinderen spelen. De manier waarop mensen voor elkaar zorgen. Mijn positie binnen de gemeenschap. En soms ook iets van de vanzelfsprekendheid waarmee ik door die wereld bewoog.

Wetenschappelijk onderzoek naar Third Culture Kids beschrijft dat verlies soms moeilijk te benoemen is en door de omgeving onvoldoende als rouw wordt herkend.

Dat maakt het voor mij ineens begrijpelijker dat heimwee zo hardnekkig kan zijn. Ik verlang misschien niet alleen naar een land. Ik verlang naar een hele context waarin ik me thuis voelde.

Nederland was mijn geboorteland. Toch moest ik bij onze terugkeer veel opnieuw ontdekken.
Het straatbeeld was anders. Kinderen speelden anders. Gewoontes waren anders. En ook de manier waarop mensen met elkaar leefden voelde anders. Waar ik in Papua veel gezamenlijkheid had ervaren, voelde Nederland voor mij veel individualistischer.

Daarmee veranderde er voor mij iets. Wat vroeger vanzelfsprekend was, werd ineens iets waarover ik moest nadenken.
Hoe doe je dat hier? Wat verwacht iemand van mij? Begrijp ik de ander goed? Landt wat ik doe eigenlijk zoals ik het bedoel?
Ik heb het lang als angst voor mensen gezien, maar ik denk dat dat het niet is. Het is eerder een basis onzekerheid. Begrijp ik de ander, begrijpen ze mij en mag ik er zijn?

Ik ga mensen nog steeds graag tegemoet en verbinding zoeken gaat mij gemakkelijk af. Maar ergens lijkt de onbevangen vanzelfsprekendheid van vroeger wat tegenstand te hebben gekregen.

Onderzoek naar volwassen TCK’s laat zien dat thema’s als identiteit, belonging en relaties belangrijke onderdelen van hun verhalen kunnen zijn. Dat herken ik. 

Tegelijkertijd wil ik TCK-zijn absoluut niet alleen vanuit verlies bekijken. Meerdere culturele werelden kennen kan ook veel brengen.
In het materiaal dat ik kreeg worden onder andere flexibiliteit, taal- en communicatievaardigheid, veerkracht, aanpassingsvermogen en brede sociale vaardigheden genoemd.

Ik herken daar veel van. Ik voel mensen snel aan. Ik beweeg gemakkelijk tussen heel verschillende mensen. Ik ben nieuwsgierig naar waar iemand vandaan komt en probeer vaak eerst te begrijpen voordat ik oordeel. Dat zie ik als iets kostbaars.
Maar ik ontdek ook dat een kracht soms een schaduwkant kan hebben. Wie heel goed leert aansluiten, kan ook gewend raken om zichzelf voortdurend op de omgeving af te stemmen.

Dan kan ergens de vraag ontstaan: Waar begint mijn eigen vanzelfsprekendheid?
Misschien is dat wel een bredere vraag bij verlies en verandering. Niet alleen: hoe pas ik mij aan de nieuwe werkelijkheid aan? Maar ook: welke delen van mij heb ik nodig en mogen mee?

Daar ligt voor mij een duidelijke verbinding met mijn werk rondom rouw en verlies.

Niet omdat ik nu denk dat mijn eigen jeugd alles verklaart. Zo eenvoudig is een mensenleven niet. Maar mijn eigen geschiedenis maakt mij misschien wel extra gevoelig voor verlies dat niet direct zichtbaar is.

In mijn praktijk ontmoet ik mensen bij wie iets wezenlijks veranderd of verloren is gegaan, terwijl de buitenwereld niet altijd begrijpt waarom dat zo diep raakt.
Ze functioneren. Ze werken. Ze zorgen. Ze passen zich aan. En toch is er iets kwijt.

Juist bij zulke vormen van verlies kan erkenning belangrijk zijn. Niet onmiddellijk oplossen. Niet vertellen hoe iemand verder moet. Maar eerst durven zien wat er verloren is gegaan.
Soms heeft verdriet geen oplossing nodig, maar wil het gezien worden. En soms begint het erkennen met iemand die zegt: Ik zie dat dit voor jou verlies is.

Mijn eigen gevoel van heimwee begrijp ik inmiddels anders.
Het is niet alleen verdriet omdat ik ergens niet meer woon. Het is liefde voor een wereld die mij gevormd heeft.

Ik mis mensen. Maar ook het landschap. Eten. Geuren die mij ineens ergens naartoe kunnen brengen. Muziek. Samenleven. Vrijheid. Het dorp als veilige wereld.
En misschien mis ik soms ook iets van het kind dat ik daar was. Het kind dat niet steeds hoefde na te denken of het goed landde. Maar dat gewoon durfde te leven.

Daarom wil ik mijn heimwee ook niet alleen meer zien als iets wat weg zou moeten.
Misschien vertelt heimwee soms juist waar liefde woont.

En dat brengt mij misschien bij het mooiste wat deze ontdekking mij geeft.

Ik hoef niet te kiezen.

West-Papua heeft mij gevormd. Nederland heeft mij gevormd.
Mijn Nederlandse wereld hoeft mijn Papua-wereld niet te verdringen. En mijn liefde voor Papua maakt mij niet minder verbonden met Nederland.

Ik draag meerdere werelden in mij.

Misschien is integratie niet dat één wereld uiteindelijk wint. Misschien is het dat ik steeds minder delen van mezelf hoeft weg te leggen om ergens bij te mogen horen.
Dat ik niet alleen leer aanpassen aan de wereld om me heen, maar ook ruimte leer maken voor de wereld die in me leeft.

En dan kom ik weer terug bij de tafel waarop dit artikel begon.

Bij de Papua-koffie en de speculaas.

Twee smaken uit twee werelden die naast elkaar mogen staan. Geen van beide hoeft de andere weg te drukken.
Misschien is dat precies wat ik nu wil leren: Papua niet langer alleen veilig bewaren in dozen, herinneringen en gedachten, maar het dichterbij laten komen. In mijn huis. In mijn eten. In mijn muziek. In mijn verhalen.

Als een beschermjas van herinneringen, geuren, smaken, kleuren en vertrouwdheid.
Niet om terug te keren naar het kind dat ik was, maar om alles wat mij gevormd heeft mee te mogen nemen in de vrouw die ik nu ben.

De liefde is te groot om veilig opgeborgen te blijven.

Voor wie zich verder wil verdiepen in Third Culture Kids, identiteit, terugkeer en rouw:

Jones, E.M., Reed, M., Gaab, J. & Ooi, Y.P. (2022). Adjustment in Third Culture Kids: A systematic review of literature. Frontiers in Psychology, 13, 939044.

Gilbert, K.R. (2008). Loss and Grief between and Among Cultures: The Experience of Third Culture Kids. Illness, Crisis & Loss, 16(2), 93–109.

Fail, H., Thompson, J. & Walker, G. (2004). Belonging, Identity and Third Culture Kids: Life Histories of Former International School Students. Journal of Research in International Education, 3(3), 319–338.

Bronmateriaal: training “Terugkeer van TCK’s” van Operatie Mobilisatie, met onder meer de begrippen hidden immigrant, hidden loss en het re-entryproces.

 

Add Your Heading Text Here

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *